De elf geboden voor succesvolle e-learning trajecten

Hans Vollenhoven en  Han van der Pool      

Vertaling in Engels

 

Inleiding

E-learning kan in brede zin gedefinieerd worden als: elke leervorm die gebruik maakt van een netwerk voor distributie, interactie en facilitering.

E-Learning programma’s worden inmiddels in ruime mate aangeboden. Zowel op het gebied van applicatie-leren (leren werken met softwarepaketten) als voor algemene managementvaardigheden. Aantoonbare succesverhalen en duizelingwekkende ROI’s zijn er genoeg. Echter, de andere kant van de medaille is dat veel web-based investeringen grote fiasco’s blijken te zijn en enkel leiden tot tijdverspilling. De hamvraag is: waar ligt dat aan?

Veel e-learning initiatieven zijn een kort leven beschoren, omdat ze ontwikkeld zijn met een te sterke focus op de techniek of creativiteit (wel leuk, maar niet doelgericht) of onvoldoende aansluiten op de specifieke bedrijfssituatie en het perspectief van de doelgroep. Vaak zijn het geïsoleerde eenmalige hits, waaraan vooral de ontwikkelaars veel plezier aan hebben beleefd. Dit leidt ertoe dat de e-learning instrumenten niet gebruikt worden of niet bijdragen aan een hoog rendement.

In dit artikel zetten we onze visie uiteen aan de hand van uitgangspunten om succesvolle e-learning trajecten te kunnen ontwikkelen.

1. Zorg voor gedeelde visie, strategie en uitgangspunten

Een van de meest voorkomende oorzaken van mislukte e-learning concepten is een overhaaste ontwikkeling van het concept vanuit de traditionele leermethodes en traditionele media. Voordat een e-learning traject ontwikkeld wordt, dien je te beschikken over de juiste visie, strategie en uitgangspunten. Deze zaken moeten bovendien gedeeld worden door ieder die betrokken is bij de ontwikkeling van e-learning programma’s. Zonder eenduidige en gedeelde uitgangspunten is het ontwikkelen van een intelligent, doordacht en effectief leerprogramma gedoemd te mislukken. Visie, strategie en uitgangspunten zijn namelijk allesbepalend voor de wijze waarop het leertraject concreet vorm krijgt. Zijn deze zaken eenmaal helder, dan wijst de weg een effectief leerconcept zich vanzelf. Centraal staat dus de vraag het scheppen van een stevige fundering.

2. Van content naar context

Moderne e-learning programma’s ontwikkelen impliceert veel meer dan het digitaliseren en interactief maken van boeken, docenten en klaslokalen. Er vindt namelijk een verschuiving plaats van content naar context: van leerstof naar het scheppen van een leeromgeving en een leercultuur.

Leren = gedrag veranderen en performance verbeteren. Een cruciale vraag is dan ook: hoe scheppen wij een effectieve e-learning cultuur? En hoe zorgen we ervoor dat de gewenste competenties getoond worden? Iedere stap die wij zetten, ieder leertraject dat wordt ontwikkeld, moet hieraan bijdragen.

3. Stel leerprocessen en leercultuur centraal

In de kennis- en informatiemaatschappij gaat het niet zozeer om het bezitten van informatie, maar om de kunst om gepaste informatie op het juiste moment te vinden, op waarde te beoordelen en snel te transformeren naar toepassing en veranderd gedrag. Voor het ontwikkelen van leertrajecten betekent dit, dat niet zozeer het reproduceren van content, maar het leerproces met betrekking tot een bepaalde thematiek centraal moet staan. Tijdens het leertraject zouden om die reden de volgende leerdoelen centraal dienen te staan:

ontdekken, verwonderen, leren openstaan voor nieuwe inzichten;

leren (je optimale leerroute leren vaststellen);

vinden en selecteren van informatie (databases, I-net, literatuur, netwerken, files, collega’s);

eigen maken van informatie;

toepassen van informatie, kennis gebruiken om tot gewenst gedrag te komen in specifieke praktijksituaties;

creëren: op basis van kennis, eigen inzichten en de praktijksituatie nieuwe inzichten genereren (kennisvermeerdering);

delen van kennis, nieuwe inzichten en ervaring beschikbaar maken voor anderen (kennismanagement).

4. Het beste leermiddel is de lerende zelf

Door alle prachtige technische en creatieve mogelijkheden waarover wij vandaag de dag beschikken, dreigt nog wel eens te vaak het zwaartepunt van de aandacht door te slaan naar een te groot vertrouwen in de techniek. Uitgangspunt in leren en programmaontwikkeling is dat het meest superieure leermiddel de mens zelf is en niet de computer. Je dient jezelf de vraag te stellen op welke wijze de computer dit superieure leermiddel kan aanvullen.

5. Integreer de theorie met de praktijk

Het leggen van relaties met de dagelijkse praktijk is van fundamenteel belang voor effectieve leerprocessen. Het leren maken van de juiste vertaalslag naar de eigen (lokale) situatie, zet toe tot actief denken en vergroot de leermotivatie. E-learning-methoden en -modellen zullen daarom ook een vertaalslag moeten krijgen naar een specifieke situatie. Bijvoorbeeld door het maken van een vergelijking van de actuele situatie (hoe doen wij het nu) en de ‘modelsituatie’ (hoe zou het moeten gaan volgens het model).

Via het stellen van vragen (persoonlijk of via e-mail) kan men bijvoorbeeld vaststellen waarom het in de praktijk anders gaat dan volgens het boekje. Deze wijze van leren resulteert enerzijds in een situatie waarin de omgeving leert van de trainee (we gaan het anders doen) en anderzijds waarin de trainee leert van de praktijk (de reden waarom je het toch beter anders kunt doen in de praktijk). Zo ontstaat een vruchtbare interactie tussen de theorie en de dagelijkse praktijk en tussen leren en genereren.

6. E-learning is een sociaal proces

Het scheppen van een leercultuur is een sociaal proces. E- learning is pas effectief in een bredere context: die van de lerende organisatie met een lerende cultuur. Vaak staan e-learning concepten te ver af - of zijn zelfs geheel geïsoleerd - van de dagelijkse praktijk. Door de cursist samen met het computerscherm te isoleren wordt niet alleen het urgentiegevoel om te leren lager of zelfs negatief, maar ook het gevoel van nut (relevantie). Hierdoor zal het leerrendement afnemen.

Praktijkgericht leren betekent ook dat de cursist interacteert met collega’s, zowel collega-cusisten, die dezelfde leerbeleving meemaken, als ervaren medewerkers. Collaborative technieken zoals chat boxen en discussiegroepen, maar ook de telefoon dienen onderdeel uit te maken in het leerproces. Door te interacteren met collega’s neemt de identificatie en internalisatie van het geleerde in het eigen mentale systeem, significant toe. Het leerproces draagt zo bij aan betekenis en zingeving. Hiernaast stimuleren deze interacties het gewenste dagelijkse leergedrag en bevorderen ze zo de gewenste leercultuur en de ‘company. Intelligence’..

7. Lang Leve Leren Langs de Lijn

Evenals competentieontwikkeling is het leerproces primair een lijnverantwoordelijkheid. Zonder draagvlak onder de managers is het gevaar aanwezig dat de dagelijkse prioriteiten voorrang krijgen boven het stimuleren van een leerklimaat. Bovendien draagt betrokkenheid van de lijn ook bij aan de praktijkgerichtheid van leerprocessen. Het leerproces dient daarom ‘langs de lijn’ georganiseerd te zijn, waarbij de e-coach en mentor het leerproces stimuleren en faciliteren. De interne communicatie rondom e-learning is een uitermate kritische factor. Niet alleen bij het tot stand brengen van een gedeelde visies, strategie en uitgangspunten rondom het e-learning traject, maar ook bij het ontwikkelen, implementeren en volgen van het e-learning traject. Ten eerste dienen de cursist en zijn manager op de hoogte te zijn van het bestaan van het e-learning traject. Vaak zijn kostbare e-learning trajecten niet effectief om de eenvoudige reden dat men niet op de hoogte is van het bestaan ervan. Ten tweede zal ondubbelzinning de ‘what’s in it for me-vraag’ beantwoord moeten worden voor zowel de cursist als zijn manager: Wat levert het op, wat is de meerwaarde en waarom zou men daar kostbare werktijd voor reserveren? Zonder belang geen belangstelling. Pas als de leidinggevende overtuigd is van het belang van het leertraject kan hij een stimulerend leerklimaat scheppen waarin de cursist ook daadwerkelijk de ruimte en de ondersteuning krijgt om te leren (en niet in de laatste plaats ook van zijn baas of specialist kan leren). Betrokkenheid en draagvlak kan men tot stand brengen door tijdens iedere stap, van ontwerp tot en met implementatie, planmatig te communiceren met de verschillende betrokkenen. Door zowel de manager als de cursist actief te laten participeren in de tot standkoming van het leertraject zal ‘ownership’ ontstaan waardoor het e-learning traject geen ‘laten leren’ traject, maar een ‘samen leren’ traject wordt. Leren is creëren en kan vaak plezierig zijn (dit sluit niet uit dat pijnlijke gebeurtenissen ook bijzonder leerzaam kunnen zijn) . Niet alleen het leerproces - waarin je ook van elkaar kunt leren - maar ook de wijze waarop men het leertrajecten volgt en vorm hebben gekregen. Een effectief leertraject is een aanrader, het behoort de aandacht vast blijven houden, wekt de nieuwsgierigheid op en is een stimulans. Het brengt zo mogelijk een ‘emotionele klik’ tot stand en brengt mensen en gedachten in beweging. In het interactieproces tussen cursist en het leertraject zal men dan ook de nodige zorg moeten besteden aan de attractiviteit van het leertraject en de gevolgde didactische methoden. Dit vraagt veel van de creatief-functionele inbreng van de ontwikkelaars van e-learning trajecten.

8. Zorg voor connecties

Een van de belangrijkste succesfactoren voor het ontwikkelen van e-learning is het vinden van aansluiting. Dit betekent, dat tijdens het ontwikkelen, implementeren en verankeren van integrale leermethodes de volgende connecties tot stand moeten worden gebracht:

-          de behoefte van de medewerker

-          de noodzaak vanuit de organisatie;

-          de praktijksituatie van de organisatie(visie& strategie, bedrijfswaarden, cultuur)

-          de gewenste attitude en performance van de cursist;

-          de beginsituatie, dagelijkse professionele realiteit

-          de leerbehoeften van de trainee: functie(niveau), wat weet je, wat weet je niet, what’s in it for me, wat vindt je belangrijk, welke vragen leven er in de dagelijkse praktijk, waar loop je tegen aan, wat is je gewenste leer- en communicatiestijl?

-          het e-learning traject (sterk push)

-          kennismanagement (leren vinden, pull);

-          competentieprogramma’s;

-          dagelijkse praktijk

-          elektronische media

-          traditionele media: face-to-face (coach, class room, print, manual en virtueel), print e.a.

9. Zet ontwikkelcompetenties integraal in

Het ontwikkelen van e-learning trajecten vraagt om een unieke combinatie van kennis en ervaring. Het ontbreken hiervan is een van de belangrijkste redenen waarom veel e-learning programma’s niet effectief zijn en blijven steken in:

-          een didactisch verantwoorde opzet, maar onvoldoende gebruikmakend van de technische en creatieve mogelijkheden die de moderne media bieden, waardoor de ROI mager uitvalt terwijl de kosten hoog zijn;

-          een creatief en/of technisch hoogstaand programma, dat weinig functioneel is en onvoldoende aansluit op de bedrijfsvoering; laat staan didactisch verantwoord is.

 

Ontwikkelaars van e-learning programma’s moeten daarom meer in huis moeten hebben dan kennis en ervaring met de ontwikkeltools om interactieve programma’s te maken. Ze moeten ondermeer ook inzicht hebben in didactiek. Bovendien moeten ze een onderbouwde visie hebben op het scheppen van een ‘effectieve e-learning omgeving’ en inzicht hebben in de wijze waarop organisatie(ontwikkelings)processen werken.

Het effectief ontwikkelen van e-learning trajecten vraagt dus om de inzet van een complete en uitgebalanceerde set van kennis en ervaring, gelardeerd met de nodige creativiteit om deze gecombineerd in te kunnen zetten.

10.  Focus op kwaliteitsverbetering in plaats van kostenbesparing

Leren tijdens het werk kost enorm veel tijd en geld. Op het moment dat men een cursus volgt zijn dit niet alleen inproductieve uren waartegenover kosten staan, maar bovenal wordt op dat moment niet bijgedragen aan de productie van het bedrijf (secundaire kosten). Slechte programma’s die weinig of een negatief ROI genereren, zijn uitermate schadelijk voor het imago van e-learning en de prachtige kansen die e-learning based programma’s kunnen bieden om de slagkracht van organisaties te vergroten. Daarnaast hebben ze, zoals eerder betoogd, een negatief effect op de lerende cultuur. Kortom, laat kostenbesparing niet de verborgen agenda zijn bij de opzet van het e-learning traject! Dit betekent dat opleidingsmanagers en ontwikkelaars geen kans voorbij mogen laten gaan om de kostbare leertijd optimaal rendabel te maken en te investeren in kwaliteit in plaats van kwantiteit.

11. Maak competentie driven learning mogelijk

Een van de basisregels in leerprocessen is dat de stof afgestemd dient te zijn op de trainee. Niet alleen op wat hij is (beginsituatie), maar vooral ook op wat hij zou moeten doen (WAT) en de wijze waarop hij performance weet te realiseren (HOE). In leerprogramma’s dient ‘het hoe’ ofwel de gewenste competenties integraal onderdeel uit te maken van de opzet en inhoud van het leerprogramma. Tijdens het leerproces dient de trainee gestimuleerd te worden om de leerperformance te tonen met behulp van de gewenste gedragscompetenties. Is bijvoorbeeld ‘creativiteit’ of ‘netwerken’ een kerncompetentie, dan betekent dit dat het leertraject dit dient te stimuleren. Hierdoor is deze methodiek goed te gebruiken bij competentiegericht leren.

Recapitulerend: de weg waarlangs vormt het doel.

Zoals je uit de elf geboden kunt opmaken, staat het leerproces centraal. Hierdoor bestaat het monitoren van de studieresultaten niet uit het meten van ‘reproductiecapaciteit’. De performance is het meet- en uitgangspunt. Waar het vooral om gaat, is dat de cursist  met betrekking tot een bepaald thema ‘leert te leren’ en ‘leert toe te passen’, en medeverantwoordelijk wordt gemaakt voor het scheppen van zijn eigen leeromgeving en die van anderen, wordt ook bijgedragen aan het concept van de lerende organisatie. Bovendien heeft de inbreng van de doelgroep automatisch een positief effect op het doelgroepgericht maken van het leertraject.

Een van de meest voorkomende kritieken op de traditionele leermethoden, is dat zodra je weer met beide benen in de dagelijkse praktijk staat al het geleerde weer snel vergeten is en eventueel enthousiasme snel getemperd wordt. Niet in de laatste plaats door fijnzinnig feedback over (te) enthousiast gedrag van het cursusverse lijdende voorwerp. Zoals: ‘doe maar gewoon’, of ‘dat hebben wij hier al geprobeerd, maar werkt niet bij ons’.Dit wordt veroorzaakt door het feit dat er vaak onvoldoende koppeling is tussen de dagelijkse realiteit en de leersituatie. Het leren vindt te geïsoleerd plaats. Daarnaast zien we dat de cursusstructuur van traditionele e-learning methodes sterk gericht is op het aanbieden van kennis of instructie. Als wij kijken naar de structuur van traditionele CBT-courses zien we dat content steeds het uitgangspunt vormt.

Zien wij het e-learning meer als een virtuele reis die je aflegt, een leerproces dat je doorloopt waarin je begeleid wordt, dan ontstaat er een ander indelingsprincipe: een structuur waarin de leercontext centraal staat in plaats van de theorie.

De kennis- en leerobjecten maken dan niet meer onderdeel uit van het leerprogramma zelf, maar worden aangeboden via media, die in de dagelijkse praktijk ook een grote rol spelen zoals het kennismanagementsysteem. E-learning wordt zo veel praktijkgerichter en sluit aan bij het gewenste dagelijkse leerproces! Vanuit deze aanpak volgt een trainee geen lessen, courses of programma’s, maar legt hij trajecten af of gedeeltes daarvan. E-learning wordt zo een proces, waarin je stappen zet in een virtueel aangestuurd leerproces.


 

Hans Vollenhoven is Directeur van ORCA organisatie-communicatie adviseurs te Amstelveen 

Han van der Pool is Learning Consultant bij de Heineken University  en publiceerde 4 artikelen over e-Learning  voor het tijdschrift   voor Management Development. Tevens is hij lid van de redactie.