Inleiding
E-learning kan in brede
zin gedefinieerd worden als: elke leervorm die gebruik maakt van een
netwerk voor distributie, interactie en facilitering.
E-Learning programma’s
worden inmiddels in ruime mate aangeboden. Zowel op het gebied van
applicatie-leren (leren werken met softwarepaketten) als voor algemene
managementvaardigheden. Aantoonbare succesverhalen en duizelingwekkende
ROI’s zijn er genoeg. Echter, de andere kant van de medaille is dat veel
web-based investeringen grote fiasco’s blijken te zijn en enkel leiden
tot tijdverspilling. De hamvraag is: waar ligt dat aan?
Veel e-learning
initiatieven zijn een kort leven beschoren, omdat ze ontwikkeld zijn met
een te sterke focus op de techniek of creativiteit (wel leuk, maar niet
doelgericht) of onvoldoende aansluiten op de specifieke bedrijfssituatie
en het perspectief van de doelgroep. Vaak zijn het geïsoleerde eenmalige
hits, waaraan vooral de ontwikkelaars veel plezier aan hebben beleefd.
Dit leidt ertoe dat de e-learning instrumenten niet gebruikt worden of
niet bijdragen aan een hoog rendement.
In dit artikel zetten we
onze visie uiteen aan de hand van uitgangspunten om succesvolle
e-learning trajecten te kunnen ontwikkelen.
1. Zorg voor gedeelde
visie, strategie en uitgangspunten
Een van de meest
voorkomende oorzaken van mislukte e-learning concepten is een overhaaste
ontwikkeling van het concept vanuit de traditionele leermethodes en
traditionele media. Voordat een e-learning traject ontwikkeld wordt,
dien je te beschikken over de juiste visie, strategie en uitgangspunten.
Deze zaken moeten bovendien gedeeld worden door ieder die betrokken is
bij de ontwikkeling van e-learning programma’s. Zonder eenduidige en
gedeelde uitgangspunten is het ontwikkelen van een intelligent,
doordacht en effectief leerprogramma gedoemd te mislukken. Visie,
strategie en uitgangspunten zijn namelijk allesbepalend voor de wijze
waarop het leertraject concreet vorm krijgt. Zijn deze zaken eenmaal
helder, dan wijst de weg een effectief leerconcept zich vanzelf.
Centraal staat dus de vraag het scheppen van een stevige fundering.
2. Van content naar
context
Moderne e-learning
programma’s ontwikkelen impliceert veel meer dan het digitaliseren en
interactief maken van boeken, docenten en klaslokalen. Er vindt namelijk
een verschuiving plaats van content naar context: van leerstof naar het
scheppen van een leeromgeving en een leercultuur.
Leren = gedrag veranderen en performance
verbeteren. Een cruciale vraag is dan ook: hoe scheppen wij een
effectieve e-learning cultuur? En hoe zorgen we ervoor dat de gewenste
competenties getoond worden? Iedere stap die wij zetten, ieder
leertraject dat wordt ontwikkeld, moet hieraan bijdragen.
3. Stel leerprocessen en leercultuur centraal
In de kennis- en
informatiemaatschappij gaat het niet zozeer om het bezitten van
informatie, maar om de kunst om gepaste informatie op het juiste moment
te vinden, op waarde te beoordelen en snel te transformeren naar
toepassing en veranderd gedrag. Voor het ontwikkelen van leertrajecten
betekent dit, dat niet zozeer het reproduceren van content, maar het
leerproces met betrekking tot een bepaalde thematiek centraal moet
staan. Tijdens het leertraject zouden om die reden de volgende
leerdoelen centraal dienen te staan:
ontdekken,
verwonderen, leren openstaan voor nieuwe inzichten;
leren (je
optimale leerroute leren vaststellen);
vinden en
selecteren van informatie (databases, I-net, literatuur, netwerken,
files, collega’s);
eigen maken van
informatie;
toepassen van
informatie, kennis gebruiken om tot gewenst gedrag te komen in
specifieke praktijksituaties;
creëren: op basis
van kennis, eigen inzichten en de praktijksituatie nieuwe inzichten
genereren (kennisvermeerdering);
delen van kennis,
nieuwe inzichten en ervaring beschikbaar maken voor anderen
(kennismanagement).
4. Het beste leermiddel is de lerende zelf
Door alle prachtige
technische en creatieve mogelijkheden waarover wij vandaag de dag
beschikken, dreigt nog wel eens te vaak het zwaartepunt van de aandacht
door te slaan naar een te groot vertrouwen in de techniek. Uitgangspunt
in leren en programmaontwikkeling is dat het meest superieure leermiddel
de mens zelf is en niet de computer. Je dient jezelf de vraag te stellen
op welke wijze de computer dit superieure leermiddel kan aanvullen.
5. Integreer de
theorie met de praktijk
Het leggen van relaties
met de dagelijkse praktijk is van fundamenteel belang voor effectieve
leerprocessen. Het leren maken van de juiste vertaalslag naar de eigen
(lokale) situatie, zet toe tot actief denken en vergroot de
leermotivatie. E-learning-methoden en -modellen zullen daarom ook een
vertaalslag moeten krijgen naar een specifieke situatie. Bijvoorbeeld
door het maken van een vergelijking van de actuele situatie (hoe doen
wij het nu) en de ‘modelsituatie’ (hoe zou het moeten gaan volgens het
model).
Via het stellen van
vragen (persoonlijk of via e-mail) kan men bijvoorbeeld vaststellen
waarom het in de praktijk anders gaat dan volgens het boekje. Deze wijze
van leren resulteert enerzijds in een situatie waarin de omgeving leert
van de trainee (we gaan het anders doen) en anderzijds waarin de trainee
leert van de praktijk (de reden waarom je het toch beter anders kunt
doen in de praktijk). Zo ontstaat een vruchtbare interactie tussen de
theorie en de dagelijkse praktijk en tussen leren en genereren.
6. E-learning is een
sociaal proces
Het scheppen van een
leercultuur is een sociaal proces. E- learning is pas effectief in een
bredere context: die van de lerende organisatie met een lerende cultuur.
Vaak staan e-learning concepten te ver af - of zijn zelfs geheel
geïsoleerd - van de dagelijkse praktijk. Door de cursist samen met het
computerscherm te isoleren wordt niet alleen het urgentiegevoel om te
leren lager of zelfs negatief, maar ook het gevoel van nut (relevantie).
Hierdoor zal het leerrendement afnemen.
Praktijkgericht leren
betekent ook dat de cursist interacteert met collega’s, zowel
collega-cusisten, die dezelfde leerbeleving meemaken, als ervaren
medewerkers. Collaborative technieken zoals chat boxen en
discussiegroepen, maar ook de telefoon dienen onderdeel uit te maken in
het leerproces. Door te interacteren met collega’s neemt de
identificatie en internalisatie van het geleerde in het eigen mentale
systeem, significant toe. Het leerproces draagt zo bij aan betekenis en
zingeving. Hiernaast stimuleren deze interacties het gewenste dagelijkse
leergedrag en bevorderen ze zo de gewenste leercultuur en de ‘company.
Intelligence’..
7. Lang Leve Leren Langs de Lijn
Evenals
competentieontwikkeling is het leerproces primair een
lijnverantwoordelijkheid. Zonder draagvlak onder de managers is het
gevaar aanwezig dat de dagelijkse prioriteiten voorrang krijgen boven
het stimuleren van een leerklimaat. Bovendien draagt betrokkenheid van
de lijn ook bij aan de praktijkgerichtheid van leerprocessen. Het
leerproces dient daarom ‘langs de lijn’ georganiseerd te zijn, waarbij
de e-coach en mentor het leerproces stimuleren en faciliteren. De
interne communicatie rondom e-learning is een uitermate kritische
factor. Niet alleen bij het tot stand brengen van een gedeelde visies,
strategie en uitgangspunten rondom het e-learning traject, maar ook bij
het ontwikkelen, implementeren en volgen van het e-learning traject. Ten
eerste dienen de cursist en zijn manager op de hoogte te zijn van het
bestaan van het e-learning traject. Vaak zijn kostbare e-learning
trajecten niet effectief om de eenvoudige reden dat men niet op de
hoogte is van het bestaan ervan. Ten tweede zal ondubbelzinning de
‘what’s in it for me-vraag’ beantwoord moeten worden voor zowel de
cursist als zijn manager: Wat levert het op, wat is de meerwaarde en
waarom zou men daar kostbare werktijd voor reserveren? Zonder belang
geen belangstelling. Pas als de leidinggevende overtuigd is van het
belang van het leertraject kan hij een stimulerend leerklimaat scheppen
waarin de cursist ook daadwerkelijk de ruimte en de ondersteuning krijgt
om te leren (en niet in de laatste plaats ook van zijn baas of
specialist kan leren). Betrokkenheid en draagvlak kan men tot stand
brengen door tijdens iedere stap, van ontwerp tot en met implementatie,
planmatig te communiceren met de verschillende betrokkenen. Door
zowel de manager als de cursist actief te laten participeren in de tot
standkoming van het leertraject zal ‘ownership’ ontstaan waardoor het
e-learning traject geen ‘laten leren’ traject, maar een ‘samen leren’
traject wordt. Leren is creëren en kan vaak plezierig zijn (dit sluit
niet uit dat pijnlijke gebeurtenissen ook bijzonder leerzaam kunnen
zijn) . Niet alleen het leerproces - waarin je ook van elkaar kunt leren
- maar ook de wijze waarop men het leertrajecten volgt en vorm hebben
gekregen. Een effectief leertraject is een aanrader, het behoort de
aandacht vast blijven houden, wekt de nieuwsgierigheid op en is een
stimulans. Het brengt zo mogelijk een ‘emotionele klik’ tot stand en
brengt mensen en gedachten in beweging. In het interactieproces tussen
cursist en het leertraject zal men dan ook de nodige zorg moeten
besteden aan de attractiviteit van het leertraject en de gevolgde
didactische methoden. Dit vraagt veel van de creatief-functionele
inbreng van de ontwikkelaars van e-learning trajecten.
8. Zorg voor connecties
Een van de belangrijkste succesfactoren
voor het ontwikkelen van e-learning is het vinden van aansluiting. Dit
betekent, dat tijdens het ontwikkelen, implementeren en verankeren van
integrale leermethodes de volgende connecties tot stand moeten worden
gebracht:
-
de behoefte van de medewerker
-
de noodzaak vanuit de organisatie;
-
de praktijksituatie van de organisatie(visie& strategie,
bedrijfswaarden, cultuur)
-
de gewenste attitude en performance van de cursist;
-
de beginsituatie, dagelijkse professionele realiteit
-
de leerbehoeften van de trainee: functie(niveau), wat weet je,
wat weet je niet, what’s in it for me, wat vindt je belangrijk, welke
vragen leven er in de dagelijkse praktijk, waar loop je tegen aan, wat
is je gewenste leer- en communicatiestijl?
-
het e-learning traject (sterk push)
-
kennismanagement (leren vinden, pull);
-
competentieprogramma’s;
-
dagelijkse praktijk
-
elektronische media
-
traditionele media: face-to-face (coach, class room, print,
manual en virtueel), print e.a.
9. Zet
ontwikkelcompetenties integraal in
Het ontwikkelen van
e-learning trajecten vraagt om een unieke combinatie van kennis en
ervaring. Het ontbreken hiervan is een van de belangrijkste redenen
waarom veel e-learning programma’s niet effectief zijn en blijven steken
in:
-
een didactisch verantwoorde opzet, maar onvoldoende gebruikmakend
van de technische en creatieve mogelijkheden die de moderne media
bieden, waardoor de ROI mager uitvalt terwijl de kosten hoog zijn;
-
een creatief en/of technisch hoogstaand programma, dat weinig
functioneel is en onvoldoende aansluit op de bedrijfsvoering; laat staan
didactisch verantwoord is.
Ontwikkelaars van
e-learning programma’s moeten daarom meer in huis moeten hebben dan
kennis en ervaring met de ontwikkeltools om interactieve
programma’s te maken. Ze moeten ondermeer ook inzicht hebben in
didactiek. Bovendien moeten ze een onderbouwde visie hebben op
het scheppen van een ‘effectieve e-learning omgeving’ en inzicht hebben
in de wijze waarop organisatie(ontwikkelings)processen werken.
Het effectief
ontwikkelen van e-learning trajecten vraagt dus om de inzet van een
complete en uitgebalanceerde set van kennis en ervaring, gelardeerd met
de nodige creativiteit om deze gecombineerd in te kunnen zetten.
10. Focus op
kwaliteitsverbetering in plaats van kostenbesparing
Leren tijdens het werk
kost enorm veel tijd en geld. Op het moment dat men een cursus volgt
zijn dit niet alleen inproductieve uren waartegenover kosten staan, maar
bovenal wordt op dat moment niet bijgedragen aan de productie van het
bedrijf (secundaire kosten). Slechte programma’s die weinig of een
negatief ROI genereren, zijn uitermate schadelijk voor het imago van
e-learning en de prachtige kansen die e-learning based programma’s
kunnen bieden om de slagkracht van organisaties te vergroten. Daarnaast
hebben ze, zoals eerder betoogd, een negatief effect op de lerende
cultuur. Kortom, laat kostenbesparing niet de verborgen agenda zijn bij
de opzet van het e-learning traject! Dit betekent dat opleidingsmanagers
en ontwikkelaars geen kans voorbij mogen laten gaan om de kostbare
leertijd optimaal rendabel te maken en te investeren in kwaliteit in
plaats van kwantiteit.
11. Maak competentie driven learning mogelijk
Een van de basisregels
in leerprocessen is dat de stof afgestemd dient te zijn op de trainee.
Niet alleen op wat hij is (beginsituatie), maar vooral ook op wat hij
zou moeten doen (WAT) en de wijze waarop hij performance weet te
realiseren (HOE). In leerprogramma’s dient ‘het hoe’ ofwel de gewenste
competenties integraal onderdeel uit te maken van de opzet en inhoud van
het leerprogramma. Tijdens het leerproces dient de trainee gestimuleerd
te worden om de leerperformance te tonen met behulp van de gewenste
gedragscompetenties. Is bijvoorbeeld ‘creativiteit’ of ‘netwerken’ een
kerncompetentie, dan betekent dit dat het leertraject dit dient te
stimuleren. Hierdoor is deze methodiek goed te gebruiken bij
competentiegericht leren.
Recapitulerend: de weg waarlangs vormt het doel.
Zoals je uit de elf
geboden kunt opmaken, staat het leerproces centraal. Hierdoor
bestaat het monitoren van de studieresultaten niet uit het meten van
‘reproductiecapaciteit’. De performance is het meet- en uitgangspunt.
Waar het vooral om gaat, is dat de cursist met betrekking tot een
bepaald thema ‘leert te leren’ en ‘leert toe te passen’, en
medeverantwoordelijk wordt gemaakt voor het scheppen van zijn eigen
leeromgeving en die van anderen, wordt ook bijgedragen aan het concept
van de lerende organisatie. Bovendien heeft de inbreng van de doelgroep
automatisch een positief effect op het doelgroepgericht maken van het
leertraject.
Een van de meest
voorkomende kritieken op de traditionele leermethoden, is dat zodra je
weer met beide benen in de dagelijkse praktijk staat al het geleerde
weer snel vergeten is en eventueel enthousiasme snel getemperd wordt.
Niet in de laatste plaats door fijnzinnig feedback over (te) enthousiast
gedrag van het cursusverse lijdende voorwerp. Zoals: ‘doe maar gewoon’,
of ‘dat hebben wij hier al geprobeerd, maar werkt niet bij ons’.Dit
wordt veroorzaakt door het feit dat er vaak onvoldoende koppeling is
tussen de dagelijkse realiteit en de leersituatie. Het leren vindt te
geïsoleerd plaats. Daarnaast zien we dat de cursusstructuur van
traditionele e-learning methodes sterk gericht is op het aanbieden van
kennis of instructie. Als wij kijken naar de structuur van traditionele
CBT-courses zien we dat content steeds het uitgangspunt vormt.
Zien wij het e-learning
meer als een virtuele reis die je aflegt, een leerproces dat je
doorloopt waarin je begeleid wordt, dan ontstaat er een ander
indelingsprincipe: een structuur waarin de leercontext centraal staat in
plaats van de theorie.
De kennis- en
leerobjecten maken dan niet meer onderdeel uit van het leerprogramma
zelf, maar worden aangeboden via media, die in de dagelijkse praktijk
ook een grote rol spelen zoals het kennismanagementsysteem. E-learning
wordt zo veel praktijkgerichter en sluit aan bij het gewenste dagelijkse
leerproces! Vanuit deze aanpak volgt een trainee geen lessen, courses of
programma’s, maar legt hij trajecten af of gedeeltes daarvan. E-learning
wordt zo een proces, waarin je stappen zet in een virtueel aangestuurd
leerproces.